Het mysterie van de tulpenbollen
11.
Als ik weer bijkom, doet mijn maag nog zeer, maar niet meer zo erg als op aarde. Dan hoor ik de stem van meester Clusius. Een diepe wanhoop stijgt in mij op: wat doet meester Clusius in de hemel? Alles is voor niets geweest!
“Flora!” roept de stem van meester Clusius opnieuw.
Met moeite doe ik mijn ogen open en zie dat ik nog in de apotheek ben. Onder mij voel ik de harde houten planken. Dit is de hemel niet. Maar dat is wel meester Clusius en hij praat tegen mij. Wat zegt hij? Dan komt de duisternis alsnog over mij.
Wanneer ik voor de tweede keer wakker word, heeft meester Clusius mij iets rechterop getrokken. Ik zit geleund tegen de wand. Hij giet een drankje bij mij naar binnen. Het is een raar goedje, maar het smaakt niet vies: naar anijs.
“Arm kind, wat heb je veel doorstaan.” Zijn ogen staan vol medeleven. Ik ben nog niet in staat om een woord uit te brengen. “Het is maar goed dat je een beetje gespuugd had,” gaat de geleerde voort, “daardoor wist ik wat jij had ingenomen en kon ik een tegenmiddel samenstellen. Wat een geluk dat deze apotheek alles heeft en dat ik juist op tijd kwam!”
Zijn oude gezicht ziet er moe uit, maar zijn mond glimlacht toch. In een oogwenk realiseer ik me dat meester Clusius mij het leven heeft gered.
Dat uitgerekend hij me gevonden heeft! Van iedereen in deze stad is de geleerde de enige die wist hoe hij me weer kon ontgiftigen. Maar dan moet hij wel precies op tijd geweest zijn en direct hebben gehandeld. Slechts een kleine hoofdknik krijgt hij ten dank, meer kan ik me nog niet verroeren. Alle spieren door mijn hele lijf lijken nog verkrampt.
“Uit Dirks autopsie is gisteren niets gekomen. Maar toen jij vandaag niet op zijn begrafenis was, ben ik meteen doorgelopen vanuit de Pieterskerk hiernaartoe. Jij en Dirk waren tenslotte de beste vrienden dus ik wist dat er iets was.”
Ik kijk naar de wandelstok die achter in de hoek staat. Die tocht moet voor de kreupele meester Clusius een zware opgave zijn geweest. Het ontroert me dat de professor zo bezorgd om mij geweest is dat hij zo’n eind gelopen heeft om mij op te zoeken. De tranen springen in mijn ogen als ik de oude man aankijk.
Wanneer hij mijn verdriet ziet, laat hij zich moeizaam naast mij op de grond zakken en pakt mijn hand vast als hij fluistert: “Lieve Flora, jij weet toch als geen ander dat het leven geeft en neemt. Ik weet dat Dirk je vriend was, maar trek jij het je zo aan dat je zonder hem verder moet? Je hebt mij toch nog en dokter Spina”.
Er gaat een rilling door mij heen. Al mijn ledematen verstijven. Meester Clusius weet nog van niets!
Ik probeer te praten, een woord te vormen. “Moord,” mompel ik.
De ogen van meester Clusius worden groot van verbazing. “Wil je zeggen dat de apotheker dit hooggiftige mengsel heeft samengesteld? Ik wist niet dat hij zulke vernuftige brouwsels kon maken.”
Mijn hoofd schudt heftig van nee. Meester Clusius begrijpt het niet. Hij denkt dat dokter Spina mij met dit gif wilde vermoorden. Dan, voordat ik het hem duidelijk heb kunnen maken, zwaait de voordeur open en stapt dokter Spina naar binnen. Als hij de situatie overziet, komt er een grote grijns op zijn gezicht. Met een theatraal gebaar doet hij de deur achter zich op slot en stapt naar voren. “Twee vliegen in één klap,” zegt hij smalend.
Meester Clusius is een man van beschaving. Hij staat met moeite op, buigt zijn hoofd en groet zijn collega. Artsen en apothekers delen hetzelfde gilde en meester Clusius heeft naast rechten en plantkunde ook nog medicijnen gestudeerd. “Mijn waarde collega dokter Spina…”
De geleerde professor zit nog midden in zijn begroeting als de apotheker de aanval opent. Met twee grote passen is hij bij meester Clusius, vouwt zonder verdere omhaal zijn beide sterke handen om diens keel en knijpt. De ogen van meester Clusius worden groot. Hij kan geen woord meer uitbrengen. Ook ik heb mijn vermogen tot spraak nog niet helemaal terug, maar ik probeer mijn lijf te bewegen en dat lukt gelukkig.
Voorzichtig hijs ik mezelf op aan een kast. Dan sta ik oog in oog met de plank van de vergiften. Daarmee smijten heeft echter helemaal geen zin. Alleen als je ze inneemt zijn ze dodelijk. Voor mijn neus staat een loodzware stenen vijzel. Ik kan hem amper optillen, maar ik moet iets proberen. Al mijn krachten bundelend geef ik de vijzel een zwieper. Het ding zeilt naar beneden. In zijn val raakt het nog net de achilleshiel van de apotheker. Die laat de oude professor van schrik los. Gelukkig, meester Clusius kan weer ademhalen.
Er ontstaat een gevecht. Een grote stevige kerel tegen een kleine kreupele oude heer. Dokter Spina zwaait met zijn armen. Hij heeft zijn mes getrokken. Het lemmet blinkt in zijn hand. Meester Clusius duikt steeds weg, maar wordt langzaam achteruitlopend in een hoek gedreven. Ik moet iets verzinnen en vlug!
Uit alle macht sleep ik mezelf naar de fles met nieskruid. Uiterst behoedzaam haal ik de stop eraf. Nu moet ik zorgen dat ik niet teveel tril, want dan krijg ik het spul zelf in mijn neus. Dat stilhouden is moeilijk, want ik beef over mijn hele lijf, maar het moet.
Voetje voor voetje schuifel ik langs de muur in de richting van de twee mannen. De apotheker heeft al zijn aandacht bij meester Clusius. Die staat inmiddels zo klem in de hoek dat hij geen kant meer op kan.
Gelukkig begint het tegengif steeds beter te werken. Ik kan mijn mond weer bewegen. “Hé Spina,” roep ik om de aandacht van de furieuze aanvaller af te leiden. Zodra dokter Spina zich omdraait, ben ik van plan het nieskruid in zijn gezicht gooien. Hij zal dan niet alleen vreselijk gaan niezen, als het in zijn ogen komt, kan hij blind worden. Het is verschrikkelijk dat ik mijn kennis nu ten kwade moet aanwenden, maar er zit niets anders op. Meester Clusius’ laatste uur heeft geslagen en daarna zal die moordenaar mij aan het mes rijgen.
Als de apotheker niet meteen reageert, roep ik nog een keer plagend: “Spinaatje”. Ik weet dat hij daar niet tegen kan. Toch weigert hij zich om te draaien. Hij wendt zijn gezicht slechts half tot mij en voegt me toe: “straks ben jij aan de beu…”
Dan valt hij op de grond. Bewusteloos. In dat ene onbewaakte ogenblik dat ik de aanvaller afleidde, kon meester Clusius zijn wandelstok grijpen en uithalen. Waar hij de kracht vandaan haalde weet ik niet, maar het was voldoende. Een rake klap tegen de slaap van dokter Spina en de doorgedraaide apotheker ligt hier bewegingloos aan onze voeten.
Ik grijp meteen naar het mes en berg het op in mijn schort. Meester Clusius komt met een stuk touw aan. Snel en behendig bindt hij de armen van onze belager bij elkaar en na een tel nadenken ook zijn beide benen. “Daar moeten de dienders straks maar mee afrekenen, ons kan hij geen kwaad meer doen,” verzucht de oude geleerde. Dan zakt hij hijgend opnieuw naast mij op de grond tegen de muur.
We zitten eerst een tijdje uit te puffen en op adem te komen. Pas dan vertel ik alles wat er gebeurd is. Ik begin bij het begin. Meester Clusius luistert aandachtig zonder mij één keer te onderbreken. Alleen wanneer hij hoort dat zijn verdwenen tulpen hier in de tuin staan, lichten zijn ogen even op. We zijn alleen allebei te uitgeput om meteen te gaan kijken. Die bollen staan daar voorlopig goed.
Als ik vertel over meneer Swaneveld en die arme Aagje fluit meester Clusius tussen zijn tanden. Maar wanneer hij doorheeft dat ook Willem de held en onze lieve Dirk vermoord zijn, lopen de tranen langs zijn wangen. Stevig tegen elkaar aangeleund zoeken we troost bij elkaar: de wereldberoemde hooggeleerde oude heer en ik, een jong weesmeisje, maar de laatste tijd speelde dat standsverschil al steeds minder en ons verdriet verenigt ons nu meer dan ooit.
Een tijdje zitten we zo samen zwijgend op de grond, elk met onze eigen gedachten. Ik denk zelfs dat we allebei voor een moment in slaap zijn gevallen. Een luide bonk doet mij in ieder geval wakker schrikken. Dokter Spina is bij bewustzijn gekomen en ligt te krijsen en te tieren op de grond. Hij probeert zich los te wringen, maar gelukkig heeft de oude professor genoeg kracht gehad om een stevige knoop in de touwen te leggen.
Toch sta ik meteen op en help meester Clusius overeind. We willen hier allebei geen minuut langer meer blijven. Samen strompelen we richting de voordeur, maar die zit tot onze beider schrik nog op slot. Achter ons horen we een bulderend gelach. De sleutel zit nog in de cape van de apotheker. Mijn ogen kruisen die van meester Clusius. Hij knikt vastberaden.
Gezamenlijk stappen we op dokter Spina af. Die probeert zich op zijn buik te rollen en naar een van ons te bijten, maar hij kan niet veel meer uitrichten. Met vereende krachten ontfutselen we hem de sleutel, laten de vastgebonden man allerlei verwensingen roepend achter op de vloer en voor we het weten staan we opeens alsnog buiten.
Ik slaak een zucht van opluchting en leun tegen de oude professor aan. Hij steunt even hard op mij. Zijn wandelstok staat nog in de apotheek, maar we denken er niet aan om terug te keren. Doodmoe en tegelijkertijd dankbaar dat we nog leven, beginnen we stevig omarmd in de richting van de Stille Mare te lopen.
Gelukkig hoeven we niet ver. Meester Clusius is een beroemde geleerde. Iedereen in Leiden kent hem. Daarnaast zien we er gehavend uit: de cape van de professor is gescheurd, op mijn schort zit braaksel. De eerste mensen die we zien schieten ons te hulp. Dan gaat alles heel snel. Er wordt een rijtuig aangehouden dat ons bij de hortus afzet. Dokter Spina wordt opgepakt en berecht. Dagenlang draaien de persen van uitgeverij Elsevier op volle toeren om iedereen via pamfletten van het laatste nieuws op de hoogte te brengen. De hele stad heeft het wekenlang nergens anders over. Zelfs de hooggeleerde professoren Gomarius en Armenius staken hun eeuwige redetwist om zich aan allerlei berichten over de rovende en moordende apotheker te wijden.
Dokter Spina wordt geradbraakt en gevierendeeld. Het hakblok vond men voor hem een te humane dood.
Maak jouw eigen website met JouwWeb